Thea Beckmanprijs – niet gewonnen, toch fijn

De Thea Beckmanprijs heb ik niet gewonnen, maar het filmpje dat Frederike Scheffer maakte naar aanleiding van mijn nominatie is wel heel erg de moeite waard:

De jury van de Thea Beckmanprijs schreef:

In het Amsterdam van 1670 werkt de vader van Wessel, de gerespecteerde arts Zacharias Kroonsz, aan een waanzinnige uitvinding die alle wetten van de Kerk, de natuur en het leven zelf tart. Wessel raakt er meer bij betrokken dan hem lief is. Honderden jaren later, ergens in Nederland in 2013 ontmoet Pink dezelfde mysterieuze Wessel. Wat een rare jongen! Wat wil hij van haar? Als ze daar achter komt, is het al te laat.

De jury is onder de indruk van de wijze waarop Marco Kunst via de – letterlijk – ongelooflijke avonturen in deze roman de lezer op filosofische wijze over het leven zelf laat nadenken.

En het juryrapport van de jeugdjury was ook erg fijn:

Kroonsz is een ontzettend spannend boek. De jury heeft wel nagedacht over of het boek echt thuishoort op de shortlist van de Thea Beckmanprijs, maar ze waren het er al snel over eens dat ze de nominatie terecht vonden. In het boek wordt namelijk heel goed beschreven hoe het was in Amsterdam in die tijd. De theorieën en gedachten in het boek vond de jury erg interessant en het was boeiend om meer te lezen over bijvoorbeeld Spinoza. In die tijd dacht men veel na over leven en dood, en over godsdienst. Eigenlijk is dat nog steeds zo. Het is een boek dat je niet snel loslaat. Ook lang nadat het boek uit was, bleef de jury erover nadenken.

Advertenties

Vlieg! – Marco Kunst

Fijne recensie van Vlieg!

Tinekes boekenkast

VliegHij lag al een tijdje op mijn to read stapel. En bleef daar maar liggen. Ik las de eerste pagina – en legde hem toch weer terug. Totaal onterecht, bleek toen ik eindelijk tijd vrij maakte om de rest te lezen. Ik vroeg me af: Hoe kwam het dat ik niet eerder verder las..?

Kinderboeken zijn ook onderhevig aan de tijdsgeest. Alles moet sneller, korter, recht op z’n doel af. ‘Vlieg!’ is niet zo’n boek. Op de eerste pagina weet je nog niet waar het boek heen gaat. Ligt er nog geen pestkop, loverboy, of vechtscheiding op de loer. Je leert gewoon rustig Marius kennen. En zijn liefde voor de omgeving waar hij woont: het strand. Kunst neemt dan ook alle tijd om het strand, de duinen en de lucht te omschrijven. Zodra ik het boek oppakte, schakelde ik over naar blauw, geel, beige, grijs. Ik was daar ook. Heerlijk, als een boek…

View original post 221 woorden meer

Kroonsz, of: hoe ik een wereld cadeau kreeg…

9789047702801Afgelopen week verscheen mijn nieuwe boek: Kroonsz. (Young Adult, Uitgeverij Lemniscaat, € 17,95) Bijna acht jaar werkte ik hieraan. Tijd om terug te kijken op de wereld waar ik in binnen ging toen ik dit boek ging schrijven. Want werelden zijn voor mij belangrijk: de wereld waarin een verhaal zich afspeelt is niet zomaar een behangetje, maar hij bepaalt de sfeer en een flink deel van de inhoud van het boek. Ik moet de wereld van het verhaal in mijn verbeelding om me heen voelen, zodat ik er écht in op ontdekkingsreis kan gaan.
Voor mijn eerste twee jeugdboeken, Gewist en Isa’s droom maakte ik zelf werelden. Voor Gewist, een wereld in de verre toekomst en, voor Isa’s droom, een droomwereld. Als ik eenmaal weet hoe die wereld eruitziet, als ik een landkaart heb, dan geeft de verhaalwereld me van alles cadeau: plekken en reizen, personages, mogelijke gebeurtenissen, de wetten van het gebied, de aard, de sfeer… Sommige avonturen worden mogelijk, andere worden onmogelijk… Het zelf scheppen van een wereld is heerlijk, je mag enorm fantaseren.
De keerzijde is dat het veel werk is om een wereld te scheppen. Want het moet wel allemaal kloppen… Dat kost algauw een jaar. Of twee.
Voor het boek waar ik acht jaar geleden aan begon, zag ik lang niet voor me in welke wereld het speelde. Ik had alleen een soort oerbeeld voor ogen:
Twee kinderen staan op een podium en voeren onder dwang, als marionetten, een toneelstukje op. In plaats van publiek is er een ijzige, duistere afgrond: een gat in de werkelijkheid, een opening naar het hiernamaals… Er is een boosaardig iemand die hen gevangenhoudt…
Maar ik kende de wereld van het verhaal nog niet: bij gebrek aan beter speelde het zich af in een klassieke griezelsetting: een vervallen landhuis op de mistige hei, overal ver vandaan. Een clichébeeld: alleen maar ‘wég van de gewone wereld’.

Het verhaal ontwikkelde zich moeizaam: de figuur die de jongeren gevangenhield was vaag. Een honderden jaren oude persoon, vermoedde ik, maar waar kwam hij vandaan, hoe was hij onsterfelijk geworden, wat deed hij daar in dat landhuis, waar kwam dat gat in de werkelijkheid vandaan en waar leidde het naartoe… Ik had geen idee.

Wat doe ik als het schrijven niet lukt? Eerst ga ik een paar weken gefrustreerd naar het scherm van mijn computer staren. En dan ga ik naar buiten. Wandelen. Merkwaardig dat ik dat niet veel sneller doe…
Natuurlijk keek ik eerst vooral en veel naar de grond… In gedachten verzonken in woeste verhaallijnen die niet samen wilden komen, voortstappend over de Amsterdamse trottoirs, het Vondelpark door, door Oud-Zuid, de grachten langs… genoeg fantasie in mijn hoofd, maar geen ankerpunten voor mijn verhaal…
Gelukkig is dat staren en piekeren niet lang vol te houden. Daar is dat wandelen juist voor bedoeld: om los te komen uit de kringetjes waarin je gedachten ronddraaien.

Hoog, Sammy, kijk omhoog, Sammy, want daar is de blauwe lucht…

En als je in Amsterdam omhoog kijkt zie je veel meer dan alleen blauwe lucht: al die gevels, de stegen en pleinen, de bomen, binnenplaatsen, gevelstenen, musea, kerken, grachten, beelden… Je wandelt regelrecht het verleden in.

En toen klikte het in mijn hoofd: het vage landhuis op de hei veranderde in een echt Amsterdams pand, ergens in een van de stegen aan de voet van de Zuiderkerk. Daar voelde het lekker oud en geheimzinnig. Ingenesteld tussen Amstel en IJ, in een gedeelte van de oude binnenstad dat ook nu nog broeierig aandoet… Mijn hoofdpersonage woonde daar natuurlijk! En natuurlijk stamde hij uit de Gouden Eeuw: dat is nu eenmaal de tijd die het meest in het oog springt als je naar Amsterdam begint te kijken, een geweldige tijd, en mooi een paar honderd jaar geleden, zodat het mysterie van mijn onsterfelijke hoofdpersoon direct duidelijk zou zijn, als hij nog steeds in het heden rond doolde.
Alleen het wandelen was niet genoeg. Ik ging lezen. Over de Gouden Eeuw. Over de geschiedenis van Amsterdam. Zo kreeg ik een hele wereld cadeau: een schitterend decor waartegen mijn verhaal zich kon afspelen, bevolkt door geweldige personages.
Een decor dat tot mijn vreugde deels nog steeds bestaat. Met een beetje fantasie komt die wereld opnieuw tot leven als je erdoorheen loopt en je voorstelt hoe men hier toen leefde. En dan zijn er de schilderijen in de musea, honderden boeken, films… Wát een rijkdom!
En steeds in mijn achterhoofd natuurlijk dat halve griezelverhaal dat ik in probeerde te passen in die eeuw, hier in de stad… Iets met tijd en eeuwigheid, leven en hiernamaals, iets met een gat in de werkelijkheid… iets met een uitvinder of wetenschapper, een soort Faust-figuur of Frankenstein, Doctor Jekyll, Mr. Hyde. Iemand die misschien wel de natuurwetten doorbrak…

Als schrijver ben je vrij: die hele Gouden Eeuw, heel Amsterdam, mocht ik gebruiken. Ik mocht de krenten uit de pap vissen. De schatkamer plunderen… En zo begon het weefsel van het verhaal te groeien. Ik maakte nader kennis met historische figuren die ik al wel kende van school, uit mijn studie filosofie of uit andere boeken en een paar sprongen eruit.
Allereerst drong Spinoza zich aan me op. Baruch Spinoza, de filosoof.

Hij schreef over goed en kwaad, over politiek en macht, maar ook, en dat was voor mij toen interessanter, over eeuwigheid en tijdelijkheid: mensen kijken altijd naar de wereld zoals die op het moment is, maar God keek volgens Spinoza met de blik van de eeuwigheid: alles in heden, verleden en toekomst was er voor Hem tegelijk. De tijd bestond niet.
Dát was een mooi gegeven: de blik vanuit de eeuwigheid…
En wonder boven wonder was diezelfde filosoof ook lenzenslijper: wat een prachtig beeld! Het idee dat je door Spinoza’s lenzen die eeuwige wereld zou kunnen zien. Dat je met Spinoza’s blik boven het hier en nu kon uitstijgen… Misschien kon je met zijn lenzen een kijker bouwen waarmee… En als je over Spinoza leest, dan gaat het ook over botsingen met de Kerk. Spinoza botste met zijn eigen Joodse geloofsgemeenschap én met de overheersende christelijke ideeën…
Zo kreeg ik het tweede grote cadeau van die Gouden Eeuw: het is een tijd waarin wetenschappers van alles gaan onderzoeken en ontdekken, maar daardoor gingen ze wel hier en daar twijfelen aan wat de Kerk verkondigde en wat in de Bijbel stond…

Dat bracht me bij de gruwelijke beelden van de hel zoals gelovigen die toen nog zagen. Achter dat gat in de werkelijkheid dat ik voor me zag als de spil van mijn boek, achter dat gat zou ook wel eens de hel kunnen zijn: die van de beelden die we kennen van oude prenten en schilderijen… gruwelijke en tegelijk geweldige visioenen – ik probeerde me voor te stellen hoe het is om daar écht in te geloven: de angst die dat wel niet oplevert. Bijna onvoorstelbaar, als je zoals ik atheïstisch bent opgevoed, maar juist daardoor ook heel vreemd en exotisch en intrigerend.

Ik las Het Boeck der Natuere van Eric Jorink: over die vroege wetenschappers die bij hun onderzoek voor het eerst uitgingen van het idee dat de natuur als een boek is, een boek dat je kunt lezen en begrijpen. Als je maar goed kijkt. Natuurlijk gingen ze ervan uit dat dat boek eenvoudig een aanvulling zou vormen op de Bijbel. Maar dat bleek niet zo simpel te liggen. Bijbel en natuur bleken niet overal op een lijn te zitten… Dat leverde angst en spanning op.
Dat bracht me bij een ander boek. Luuc Kooijmans beschreef die angst en spanning in Gevaarlijke kennis, Inzicht en angst in de dagen van Jan Swammerdam. Het boek maakte veel indruk op me: Kooijmans vertelt prachtig over Jan Swammerdam, een beroemde natuuronderzoeker en anatoom die diep gelovig, minutieus onderzocht hoe met name insecten in elkaar zaten. In ieder diertje kon je volgens hem de schoonheid van de hele schepping terugvinden.
Prachtige tekeningen maakte Swammerdam. Gefascineerd las hij in het Boek der Natuur terwijl hij zich angstig afvroeg of geloven niet veel belangrijker was dan weten… Moest je niet eerder voor je ziel zorgen, dan voor de wetenschap? Was het niet belangrijker om de leefregels van de Kerk te volgen… Kon je de waarheid wel ontdekken door te kíjken? Was het niet veel belangrijker om de Bijbel te lezen in plaats van het Boek der Natuur? Gedoemd worden tot eeuwig branden in de hel, zou de straf zijn als hij de verkeerde keuze maakte. Kooijmans beschrijft die innerlijke strijd zó dat ik hem kon voelen…
En wat een decor kreeg ik – alweer – erbij cadeau: Swammerdam woonde boven de apotheek van zijn vader, in datzelfde buurtje als waar Kroonsz, mijn hoofdpersoon woonde, en zijn vader had, net als Rembrandt, die even verderop woonde, een rariteitenkabinet, een verzameling schelpen, fossielen, opgezette dieren, kristallen, gedroogde planten en zaden, botten en graten, een heerlijk ratjetoe aan schatten uit de natuur: precies zoals ik ze zelf van kleins af aan als kind verzamelde… Het was duidelijk dat ook Jan Swammerdam een plek in mijn verhaal moest krijgen.
En natuurlijk moest die spanning in het boek komen: die angst voor het hiernamaals. Daar stond dat gat in de werkelijkheid natuurlijk voor!

Langzaam kreeg zo mijn verhaal een plaats en een vorm: het moest gaan over een wetenschapper uit de Gouden Eeuw die de natuurwetten trotseert, die een geweldige uitvinding doet, maar die daardoor ook, het noodlot uitdaagt. Zijn eigen noodlot. En hij sleept daar anderen in mee…
En veel wetenschappers in die tijd waren ook bouwers: ze construeerden uurwerken, telescopen, microscopen – allemaal in prachtig koper, hout, glas, rijk geornamenteerd. Het kon niet anders, of mijn hoofdpersoon was iemand die ook zo’n mooi instrument van blinkend koper en handgeblazen glas bouwde: om tot de eeuwigheid door te dringen. Zo’n prachtig instrument, met lenzen, slingers en een wijzerplaat met nauwkeurig geschilderde Romeinse cijfers, en…
Ha! Maar daarvoor hadden we natuurlijk in de 17e eeuw Christiaan Huygens, een van de grootste Nederlandse natuurkundigen ooit. Wereldberoemd. Uitvinder van een prachtig slingeruurwerk! Die Huygens kon ik wel gebruiken. Hij woonde niet in Amsterdam, maar dat was juist fijn: de stegen van een stad worden op den duur ook benauwend. Mijn personage mocht even het water op, eropuit naar Den Haag…
Maar hé, daar was Spinoza in 1670 ook al gaan wonen. Perfect! Het vissershaventje van Scheveningen, het statige landgoed Hofwijck bij Voorburg, waar de familie Huygens woonde, de Paviljoensgracht in Den Haag, waar Spinoza een bovenhuis huurde boven een kunstschilder…

Enfin, het is duidelijk – ik struinde voor het schrijven van Kroonsz rond door de 17e eeuw en vooral door Amsterdam, als een kind in een snoepwinkel… de magie van de gouden eeuw, de rariteiten, de huizen, de stegen, de gevels, de havens, de mensen die die stad bevolkten… En ik had geen mooiere of interessantere wereld cadeau kunnen krijgen dan het 17e-eeuwse Amsterdam…

Of wel? Waarschijnlijk wel, want er zijn duizenden werelden die erop wachten om onderzocht te worden. Fantasiewerelden, werelden ver weg, werelden in toekomst of verleden… Je hoeft ze alleen maar nieuwsgierig en aandachtig en open binnen te gaan, en de verhalen beginnen vanzelf te groeien. Als je ze maar de kans geeft om tot leven te komen in je verbeelding. Dus op naar de volgende wereld, voor het volgende boek!

 

Opmaak 1

Nog een week of twee, en dan verschijnt het echt: Kroonsz.
Waarschijnlijk ligt het boek nog net op tijd vóór Sinterklaas in de winkel…
284 pagina’s, vanaf 15 jaar. € 17,95

Tekst in de folder van Uitgeverij Lemniscaat:
‘Geraffineerd lokt Marco Kunst de lezer mee in het web dat hij weeft uit de verhaallijnen van Wessel en zijn vader, het meisje Pink en haar schoolgenoot Bor. Hoe Wessel zich aan dat web zal ontworstelen blijft tot de emotionele ontknoping een verrassing. Deze razend spannende, intense en filosofische roman zal de kijk van de lezer op wat leven is voor altijd veranderen.’

Fragment:
Kroonsz beende naar het apparaat waar de duif nog altijd in gevangen zat. ‘Al wat leeft heeft een levenslijn. Dieren gebruiken die draad ongericht, als een warrige kluwen. De menselijke ziel, dat is de borduurnaald die gericht het kleed borduurt dat de ons omringende wereld vormt.’
Hij liep naar het koord waarmee hij de priem kon afvuren. ‘Kom hier, en kijk!’ Kroonsz wees naar de kijker.
Aarzelend boog Wessel voorover naar het oculair. ‘Kijk goed. Let op!’ Kroonsz trok aan het touw, de priem veerde met kracht naar beneden, het kopje van de duif werd doorboord. Het klonk als een noot die gekraakt wordt. En op precies hetzelfde moment meende Wessel dat hij door de kijker een korte flits waarnam, een flits als een zweepslag, als een gespannen snaar die doorgeknipt wordt en wegschiet. Als door een slang gebeten deinsde hij achteruit.
‘Je ziet het dus ook,’ concludeerde Kroonsz tevreden, en hij maakte een aantekening in een groot logboek dat opengeslagen naast de proefopstelling lag.
Op het houten blok vormde zich een donkerrood plasje bloed.

Het manuscript van Kroonsz is ingeleverd!

3d3512bd4956991e2a27b8836e71968cspraynwipedeviantart
(collage van ‘spraynwipe’ te vinden op deviantart.com)

Bijna 8 jaar nadat het kernidee voor het eerst bij me opkwam is het manuscript af – komende herfst zal het boek verschijnen. Zo ongeveer zal de tekst in de brochure van Lemniscaat gaan luiden:

Kroonsz

Een gruwelijk experiment met de tijd en het leven

Kroonsz beende naar het apparaat waar de duif nog altijd in gevangen zat. ‘Al wat leeft heeft een levenslijn. Dieren gebruiken die draad ongericht, als een warrige kluwen. De menselijke ziel, dat is de borduurnaald die gericht het kleed borduurt dat de ons omringend wereld vormt.’
Hij liep naar het koord waarmee hij de priem kon afvuren. ‘Kom hier, en kijk!’ Kroonsz wees naar de kijker. Aarzelend boog Wessel voorover naar het oculair. ‘Kijk goed. Let op!’ Kroonsz trok aan het touw, de priem veerde met kracht naar beneden, het kopje van de duif werd doorboord. Het klonk als een noot die gekraakt wordt.
En op precies hetzelfde moment meende Wessel dat hij door de kijker een korte flits waarnam, een flits als een zweepslag, als een gespannen snaar die doorgeknipt wordt en weg schiet.
Als door een slang gebeten deinsde hij achteruit.
‘Je ziet het dus ook,’ concludeerde Kroonsz tevreden, en hij maakte een aantekening in een groot logboek dat opengeslagen naast de proefopstelling lag.
Op het houten blok vormde zich een donkerrood plasje bloed.
Amsterdam, 1670
Wessel weet niet wat hij ervan denken moet. Zijn vader, de gerenommeerde arts Zacharias Kroonsz, doet een onderzoek dat alle wetten tart: de wetten van de kerk, de wetten van het leven zelf. Kroonsz beweert dat hij de levenslijn van mensen zichtbaar kan maken. En áls hij dat kan, kan hij misschien verder gaan…
Angstig, maar ook gefascineerd, raakt Wessel betrokken bij het onderzoek. En zijn vader en hij komen verder dan ze hadden kunnen dromen. Maar dan slaat het noodlot toe, dat Kroonsz waanzinnig maakt, Wessel in een levende dode verandert en een allesvernietigende scheur in de werkelijkheid opent: de Torn.

Honderden jaren verstrijken…

Amsterdam, 2013
Pink, zeventien jaar oud en het populaire meisje van de klas, heeft het idee dat ze wordt gevolgd door een jongen. Toch is ze niet bang, maar voelt zich juist op een onverklaarbare manier tot hem aangetrokken.
Er klopt iets niet, met die jongen, weet ze. Maar hoezeer het niet klopt, daar komt ze pas achter als het te laat is…

Wessels ene hand op haar mond. Met zijn andere hand hield hij haar in bedwang. Ze voelde zijn gezicht vlak bij het hare, zijn krullen kriebelden haar wang. ‘Alsjeblieft… Luister naar me… Ik kan niet anders,’ fluisterde hij in haar oor. ‘Ik kan het niet alleen. Ik heb je hulp nodig. Tegen mijn vader, tegen de Torn. Ik ben niet slecht. Ik zal je niets doen. Geloof me!’
‘Mmmh!’ Pink worstelde om los te komen. Ze hoorde Wessel wel, maar zijn woorden drongen nauwelijks tot haar door.
‘Als mijn vader komt, doe alsof je dom bent! Dom, sloom, bang, verlegen. Ik weet dat je sterk bent en slim, daarom heb ik je nodig om me te helpen, juist jou, ik kan het niet alleen, maar laat het niet aan mijn vader zien. Dit is het allerbelangrijkste… Hoor je me? Ik leg je alles uit. Later.’
Wessel zuchtte diep, tastte naar iets. ‘Heb je me gehoord? Heb je me alsjeblieft gehoord?’
Het lukte Pink om Wessels hand weg te duwen. ‘Klootzak! Laat me los!’ schreeuwde ze.
Gesis van een spuitbus. Wessel spoot iets in haar gezicht. Pink rook een vreemde geur, hoestte, wilde wegduiken, zag schaamte en afgrijzen op Wessels gelaat, begreep het niet, maar voor ze verder ook maar iets kon doen of denken, tuimelde ze bewusteloos voorover.

Met de hulp van twee eenentwintigste-eeuwse jongeren, die hem volstrekt wantrouwen, moet Wessel een enorme strijd leveren: een strijd tegen zijn machtige vader, tegen de kracht van de waanzin en tegen de scheur in de werkelijkheid die al het leven op aarde bedreigt.

 

 

Voorpublicatie Farabel

In de herfst verschijnt bij uitgeverij Van Gennep mijn nieuwe boek: Farabel – een roman over een jonge vrouw die op reis gaat naar Afrika. Hieronder alvast een fragment:

duikster

… Als klein meisje kroop ze in de weekenden ’s ochtends vaak bij haar ouders in bed. Haar vader vertelde dan slaperig, dromerig, half afwezig, om haar bezig te houden, stil te houden, zodat ze allemaal nog even rustig konden blijven liggen, over de reizen die ze in de toekomst zouden ondernemen. Lange reizen, te paard, met een luchtballon, in een vliegtuigje of op motor met zijspan. Ze zouden naar de indianen gaan, naar de Eskimo’s, en ook, ooit, als Farabel groot was, naar Afrika.

Waar de andere reisbestemmingen niet meer dan grappige onzinverhaaltjes hadden opgeleverd, daar had de fantasie over de reis naar Afrika tot iets anders geleid, herinnerde Farabel zich nu. Ze hoorde haar vaders stem weer, zijn vreemde, hese zinswendingen, de associaties en uitweidingen die ze niet begreep, en streek met haar vlakke hand over het laken – het strakgetrokken onderlaken was indertijd de zee geweest, de rimpelingen in de dekens bergruggen en valleien; strijkschaduwen die de ochtendzon wierp hadden de lichte van de duistere landen gescheiden.

‘Nadat we met de trein naar Napels gereisd zijn…’ mompelde haar vader in halfslaap, ‘… Napoli… Napoli… vuige dwaalster van het zuiden, parel voor de mediterrane zwijnen… zullen we op een oude vrachtboot, een trawler heet zo’n schip geloof ik, de Middellandse Zee oversteken naar het oeroude Caïro, deep down verscholen in de broeierige malariaoksels van de Nijldelta, die magische rivier van ezelinnenmelk. Dat is verreweg de beste manier, waarschijnlijk.’

Farabel trok het laken over haar hoofd en sloot haar ogen. Ze zag haar vaders bleke gezicht voor zich zoals het toen was, de stoppelbaard, het dunner wordende haar, zijn vermoeide, diepliggende ogen. ‘… Langzaam maar stevig varen we daar dan, zwelgend in de geuren van stookolie, smeerolie, roest en zeewater… kronkelende benzinekleuren op het water. De kok bereidt rats, kuch en bonen, iedere lange lome dag na dag, en het zware, submediterrane ritme van de duivels monkelende dieselmotoren zal ons betoveren als een Afrikaanse trom, een goddelijke bongo, een duivelse djembé, ons klaarstomen voor wat komen zal… want Caïro is een van die eeuwige steden, doolhof van honderden stegen en duizenden stemmen, menselijk doolhof, onmenselijk, een…’ – vaders stem zocht krakend rond, als de rafelige voelspriet van een oud insect, hij tastte naar beelden, om barok kronkelende zinswendingen te omhelzen, waar Farabel zich door liet strelen als waren het de vangarmen van een warmbloedig weekdier – ‘… een intestinale broeikas, een… Enfin, daar, in de diepste, kruimelende diepten van de oudste soek kopen we de uitrusting en proviand voor onze onzalige queeste: noten, dadels, harde geitenkaas, vijgen en brood, leren zakken voor wijn en water, meel, gedroogd vlees, en warme schapenvachten, want vergis je niet, ’s nachts als het uitspansel zich ongenadig uitrolt aan het firmament kan het ijzig, ja bloedstollend koud zijn in de woestijn… We kopen kamelen, zadels en zadeltassen en een echte bedoeïenentent…’

‘Blijven jullie niet al te lang in Afrika? Ik ga ontbijt klaarmaken.’ Farabels moeder stond op, trok de gordijnen open, gooide het raam wijd open en liep de slaapkamer uit. Licht en frisse lucht stroomden naar binnen.

Farabel kroop naar het voeteneinde van het bed, de warme, zout geurende schemering onder de dekens opzoekend. ‘En dan?’

‘Dan?’ Haar vader kwam wat rechter op zitten, trok het laken tot boven zijn hoofd en vormde het tot een tent. Hij schraapte zijn keel en ging verder. ‘Na een paar nachten in een groezelig hotel met geelgeaderd pleisterwerk en brokkelige vloeren, waar we zoete waterpijpen roken en onze voeten laten masseren door goddelijk gesluierde partizanes, vertrekken we per boot stroomopwaarts, zo’n echte Nijlboot, felutia’s heten die, geloof ik… of nee, felluca’s.’

Vaders stem werd weer zachter, Farabel krulde zich op.

‘Die eeuwig murmelende stroom zal ons langs piramiden en sfinxen leiden, langs onooglijke, donkere dorpjes en majestueuze Moorse medina’s. Zo trekken we verder en verder naar het zuiden, steeds dieper de wildernis in, het verleden in, het hart van de duisternis tegemoet. Zeventien dagen en zeventien nachten zullen we varen, oplaveren, palaveren, tegen stroom, tot we de plek bereiken waar de Blauwe en de Witte Nijl samenvloeien. Daar gaan we van boord. We debarkeren, laden onze uitrusting op de kamelen, die onrustig zijn na hun lange benedendekse gevangenschap, nemen water in bij de laatste waterput in het laatste dorpje en trekken de woestijn in. Vanaf dat moment zijn we op onszelf aangewezen.’

‘En dan?’

‘Ja… eh… Pff… Dan moeten we op zoek naar de legendarische stad Kor, waar Ayesha leeft, koningin van de vlam van onsterfelijkheid, gedoemd om tot de dag des oordeels te wachten op haar geliefde. Een geliefde die ze ooit zelf ombracht, uit haat, uit wraak, uit onmacht, uit verlangen hem voor altijd en voorgoed te bezitten. Ze waakt bij zijn gebalsemde lijk, als een Afrikaanse Johanna de Waanzinnige, en wacht…’

‘Wat gaan we daar dan doen?’

‘Ach… Ik zal oud zijn tegen die tijd. Stokoud, tandeloos, mijn huid gerimpeld en vol levervlekken. Ik die ooit onsterfelijk dacht te zijn, echt Fara, ik dacht ooit voor eeuwig te leven, toen ik zo jong was als jij… ik zal tegen die tijd smachten naar de vlam van het eeuwige leven, die daar in een grot te vinden moet zijn. We zullen moeten voortmaken, veel tijd zal ik niet meer hebben en onze zoektocht zal niet makkelijk zijn.’

Farabel sloot haar ogen, luisterde niet meer, zag slechts haar vader voor zich als oude man – krom, gebogen, gerimpeld en met lange baard. Kwetsbaar. Voor het eerst drong toen echt tot haar door dat hij sterfelijk was, zijn dunne haar, de kringen onder zijn ogen, en dat zij zijn dood mee zou maken, dat zij ooit aan zijn graf zou staan en afscheid van zijn koude lichaam zou moeten nemen, en ze voelde zich schuldig, ze voelde zich tekortschieten, want er was niets wat ze daartegen kon doen. ‘Je mag niet doodgaan, pappa,’ fluisterde ze en ze krulde zich nog verder op, haar vader hoorde haar niet, ging op in zijn verhaal, dwaalde af, dwaalde verder, wilde haar niet horen, wilde niet luisteren.

‘Ik denk zeker dat we iets zullen vinden, want dat gebied daar is magisch, weet je, mythisch – de Hoorn van Afrika… hoorn des overvloeds, plaats waar het Bijbelse paradijs volgens mij gezocht moet worden, want het is ook wérkelijk de wieg van de mensheid, plek waar we ontstaan zijn, voor het eerst het licht gezien hebben… Archeologen hebben daar een skelet gevonden van een vrouw, een meisje misschien nog… Lucy hebben ze haar gedoopt, een australopithecus afarensis, Lucy in the Sky with Diamonds, meer dan drie miljoen jaar oud, van net na de zondeval, misschien herinnerde zij zich nog hoe het paradijs eruitzag, wist zij nog waar het lag…’ Hij begon zachtjes te zingen: ‘Picture yourself in a boat on a river… With tangerine trees and marmalade skies… Somebody calls you… You answer quite slowly… A girl with caleidoscope eyes…

Farabel huilde, haar kleine lichaam schokte.

‘Dus ergens daar… Hé, wat is er? Fara?’ In één beweging had haar vader het laken en de deken weggetrokken. Ze was aan het licht gekomen, klein en bang en opgekruld als een pasgeborene, de koude lucht deed haar huiveren, ze drukte haar gezicht in het laken.

‘Hé, lieverd, wat is er nou?’ Haar vader had zich over haar heen gebogen, haar rug gestreeld, ze had zijn hand weggeduwd.

‘Je mag niet doodgaan, pappa,’ fluisterde ze.

‘Wát zeg je?’

‘Ik vind je Zo Lief… Je Mag Niet Dood Gaan.’

Hij lachte. ‘Dat ben ik ook nog lang niet van plan hoor, lieverd. Maak je niet druk.’ Hij stond op en nam haar in zijn armen. ‘Kom, dan gaan we naar beneden. Croissantjes eten.’