Middag van het Kinderboek

Samen met Aby Hartog organiseerde en presenteerde ik dit voorjaar alweer voor de vierde keer de Middag van het Kinderboek (MVHK): een dag vol lezingen, workshops en andere activiteiten rondom kinderboeken. De MVHK is bedoeld voor iedereen die werkzaam is in het kinderboekenvak: schrijvers, illustratoren, medewerkers van uitgeverijen, bibliotheken en boekhandels, etc. Je vindt het verslag van de Middag hier:

Advertenties

Het begin van mijn nieuwe boek

De werktitel van mijn nieuwe boek is ‘Het verlangen van de prins’. Hieronder het begin van hoofdstuk 1:

We hebben het gered! We zijn vrij! Dat is ongelooflijk, want weet je, het zag er niet best uit. We hebben zoveel meegemaakt… Honger en op hol geslagen kreeften, stormen, vloedgolven en nog veel meer. Het was op het nippertje, maar nu zit ik hier, in de schaduw van de palmbomen, met mijn blote voeten in het warme zand. Ik heb uitzicht op zee, en heb mijn vrienden om me heen.

Tyman speelt op zijn nieuwe trompet. Tulp is hele dagen aan het snorkelen (beetje gek, want ze zei steeds dat ze de bergen in wilde als ze ooit vrij zou komen). Hülya en Levent bouwen al weken aan iets vreemds van fietswrakken en bamboe. En ik? Ik doe van alles. Zwemmen, dromen, tekenen, lekker eten, beetje voetballen op het strand, zandkastelen bouwen, luieren in het zand… Ik was zo gewend geraakt aan rampen en verschrikkingen dat ik me de afgelopen dagen zelfs een beetje ging vervelen.

            ‘Gekker moet het niet worden, Lode!’ riep Woordenman toen ik dat zei. ‘Eigenlijk moet je niet zeuren,’ ging hij verder, ‘maar ik heb een idee voor je: schrijf alles op!’

            Eerst wilde ik niet, het leek me veel te veel werk. Maar toen Tyman zei dat het een verhaal was dat hij heel graag wilde lezen, kon ik niet meer weigeren.

            ‘Je was er zelf bij,’ sputterde ik nog tegen. ‘Je weet alles al.’

            ‘Dat is iets anders,’ zei Tyman. ‘Ik wil het van jou horen. Jouw verhaal. Vanaf het eerste begin.’

            ‘Zonder jou hadden we tot het einde der tijden rondgedobberd op de Middellandse Zee,’ viel Woordenman hem bij.

            Ik beloofde dat ik het zou proberen. Woordenman zei dat hij wel wilde helpen om er een echt boek van te maken (hij heet niet voor niets Woordenman). En hier zit ik dan, met een pen in mijn hand en een schrift voor mijn neus, aan de houten tafel bij het strand, waar ’s avonds de vrouwen en mannen van het dorp zitten te praten en lachen, en waaraan overdag de kinderen spelletjes spelen of huiswerk maken.

           Ik dacht dat het moeilijk zou zijn om te beginnen, maar dat valt mee, want de wind draagt de geur van de zee aan en de zee ruikt overal op aarde naar dromen en verlangen, overvloed en gevaar, gruwelen en geluk. Als ik de zee ruik, komen mijn oudste herinneringen bij me terug, en daarmee begon het allemaal…

Het oneindige verhaal

Voor de Kinderboekenambassade maakte ik een kort filmpje over mijn lievelingsboek, Het oneindige verhaal, van Michael Ende. Je kunt het filmpje hier bekijken:

Mijn lievelingsboek!

Schermafbeelding 2018-09-25 om 15.20.50.png

Thea Beckmanprijs – niet gewonnen, toch fijn

De Thea Beckmanprijs heb ik niet gewonnen, maar het filmpje dat Frederike Scheffer maakte naar aanleiding van mijn nominatie is wel heel erg de moeite waard:

De jury van de Thea Beckmanprijs schreef:

In het Amsterdam van 1670 werkt de vader van Wessel, de gerespecteerde arts Zacharias Kroonsz, aan een waanzinnige uitvinding die alle wetten van de Kerk, de natuur en het leven zelf tart. Wessel raakt er meer bij betrokken dan hem lief is. Honderden jaren later, ergens in Nederland in 2013 ontmoet Pink dezelfde mysterieuze Wessel. Wat een rare jongen! Wat wil hij van haar? Als ze daar achter komt, is het al te laat.

De jury is onder de indruk van de wijze waarop Marco Kunst via de – letterlijk – ongelooflijke avonturen in deze roman de lezer op filosofische wijze over het leven zelf laat nadenken.

En het juryrapport van de jeugdjury was ook erg fijn:

Kroonsz is een ontzettend spannend boek. De jury heeft wel nagedacht over of het boek echt thuishoort op de shortlist van de Thea Beckmanprijs, maar ze waren het er al snel over eens dat ze de nominatie terecht vonden. In het boek wordt namelijk heel goed beschreven hoe het was in Amsterdam in die tijd. De theorieën en gedachten in het boek vond de jury erg interessant en het was boeiend om meer te lezen over bijvoorbeeld Spinoza. In die tijd dacht men veel na over leven en dood, en over godsdienst. Eigenlijk is dat nog steeds zo. Het is een boek dat je niet snel loslaat. Ook lang nadat het boek uit was, bleef de jury erover nadenken.

Vlieg! – Marco Kunst

Fijne recensie van Vlieg!

Tinekes boekenkast

VliegHij lag al een tijdje op mijn to read stapel. En bleef daar maar liggen. Ik las de eerste pagina – en legde hem toch weer terug. Totaal onterecht, bleek toen ik eindelijk tijd vrij maakte om de rest te lezen. Ik vroeg me af: Hoe kwam het dat ik niet eerder verder las..?

Kinderboeken zijn ook onderhevig aan de tijdsgeest. Alles moet sneller, korter, recht op z’n doel af. ‘Vlieg!’ is niet zo’n boek. Op de eerste pagina weet je nog niet waar het boek heen gaat. Ligt er nog geen pestkop, loverboy, of vechtscheiding op de loer. Je leert gewoon rustig Marius kennen. En zijn liefde voor de omgeving waar hij woont: het strand. Kunst neemt dan ook alle tijd om het strand, de duinen en de lucht te omschrijven. Zodra ik het boek oppakte, schakelde ik over naar blauw, geel, beige, grijs. Ik was daar ook. Heerlijk, als een boek…

View original post 221 woorden meer

Kroonsz, of: hoe ik een wereld cadeau kreeg…

9789047702801Afgelopen week verscheen mijn nieuwe boek: Kroonsz. (Young Adult, Uitgeverij Lemniscaat, € 17,95) Bijna acht jaar werkte ik hieraan. Tijd om terug te kijken op de wereld waar ik in binnen ging toen ik dit boek ging schrijven. Want werelden zijn voor mij belangrijk: de wereld waarin een verhaal zich afspeelt is niet zomaar een behangetje, maar hij bepaalt de sfeer en een flink deel van de inhoud van het boek. Ik moet de wereld van het verhaal in mijn verbeelding om me heen voelen, zodat ik er écht in op ontdekkingsreis kan gaan.
Voor mijn eerste twee jeugdboeken, Gewist en Isa’s droom maakte ik zelf werelden. Voor Gewist, een wereld in de verre toekomst en, voor Isa’s droom, een droomwereld. Als ik eenmaal weet hoe die wereld eruitziet, als ik een landkaart heb, dan geeft de verhaalwereld me van alles cadeau: plekken en reizen, personages, mogelijke gebeurtenissen, de wetten van het gebied, de aard, de sfeer… Sommige avonturen worden mogelijk, andere worden onmogelijk… Het zelf scheppen van een wereld is heerlijk, je mag enorm fantaseren.
De keerzijde is dat het veel werk is om een wereld te scheppen. Want het moet wel allemaal kloppen… Dat kost algauw een jaar. Of twee.
Voor het boek waar ik acht jaar geleden aan begon, zag ik lang niet voor me in welke wereld het speelde. Ik had alleen een soort oerbeeld voor ogen:
Twee kinderen staan op een podium en voeren onder dwang, als marionetten, een toneelstukje op. In plaats van publiek is er een ijzige, duistere afgrond: een gat in de werkelijkheid, een opening naar het hiernamaals… Er is een boosaardig iemand die hen gevangenhoudt…
Maar ik kende de wereld van het verhaal nog niet: bij gebrek aan beter speelde het zich af in een klassieke griezelsetting: een vervallen landhuis op de mistige hei, overal ver vandaan. Een clichébeeld: alleen maar ‘wég van de gewone wereld’.

Het verhaal ontwikkelde zich moeizaam: de figuur die de jongeren gevangenhield was vaag. Een honderden jaren oude persoon, vermoedde ik, maar waar kwam hij vandaan, hoe was hij onsterfelijk geworden, wat deed hij daar in dat landhuis, waar kwam dat gat in de werkelijkheid vandaan en waar leidde het naartoe… Ik had geen idee.

Wat doe ik als het schrijven niet lukt? Eerst ga ik een paar weken gefrustreerd naar het scherm van mijn computer staren. En dan ga ik naar buiten. Wandelen. Merkwaardig dat ik dat niet veel sneller doe…
Natuurlijk keek ik eerst vooral en veel naar de grond… In gedachten verzonken in woeste verhaallijnen die niet samen wilden komen, voortstappend over de Amsterdamse trottoirs, het Vondelpark door, door Oud-Zuid, de grachten langs… genoeg fantasie in mijn hoofd, maar geen ankerpunten voor mijn verhaal…
Gelukkig is dat staren en piekeren niet lang vol te houden. Daar is dat wandelen juist voor bedoeld: om los te komen uit de kringetjes waarin je gedachten ronddraaien.

Hoog, Sammy, kijk omhoog, Sammy, want daar is de blauwe lucht…

En als je in Amsterdam omhoog kijkt zie je veel meer dan alleen blauwe lucht: al die gevels, de stegen en pleinen, de bomen, binnenplaatsen, gevelstenen, musea, kerken, grachten, beelden… Je wandelt regelrecht het verleden in.

En toen klikte het in mijn hoofd: het vage landhuis op de hei veranderde in een echt Amsterdams pand, ergens in een van de stegen aan de voet van de Zuiderkerk. Daar voelde het lekker oud en geheimzinnig. Ingenesteld tussen Amstel en IJ, in een gedeelte van de oude binnenstad dat ook nu nog broeierig aandoet… Mijn hoofdpersonage woonde daar natuurlijk! En natuurlijk stamde hij uit de Gouden Eeuw: dat is nu eenmaal de tijd die het meest in het oog springt als je naar Amsterdam begint te kijken, een geweldige tijd, en mooi een paar honderd jaar geleden, zodat het mysterie van mijn onsterfelijke hoofdpersoon direct duidelijk zou zijn, als hij nog steeds in het heden rond doolde.
Alleen het wandelen was niet genoeg. Ik ging lezen. Over de Gouden Eeuw. Over de geschiedenis van Amsterdam. Zo kreeg ik een hele wereld cadeau: een schitterend decor waartegen mijn verhaal zich kon afspelen, bevolkt door geweldige personages.
Een decor dat tot mijn vreugde deels nog steeds bestaat. Met een beetje fantasie komt die wereld opnieuw tot leven als je erdoorheen loopt en je voorstelt hoe men hier toen leefde. En dan zijn er de schilderijen in de musea, honderden boeken, films… Wát een rijkdom!
En steeds in mijn achterhoofd natuurlijk dat halve griezelverhaal dat ik in probeerde te passen in die eeuw, hier in de stad… Iets met tijd en eeuwigheid, leven en hiernamaals, iets met een gat in de werkelijkheid… iets met een uitvinder of wetenschapper, een soort Faust-figuur of Frankenstein, Doctor Jekyll, Mr. Hyde. Iemand die misschien wel de natuurwetten doorbrak…

Als schrijver ben je vrij: die hele Gouden Eeuw, heel Amsterdam, mocht ik gebruiken. Ik mocht de krenten uit de pap vissen. De schatkamer plunderen… En zo begon het weefsel van het verhaal te groeien. Ik maakte nader kennis met historische figuren die ik al wel kende van school, uit mijn studie filosofie of uit andere boeken en een paar sprongen eruit.
Allereerst drong Spinoza zich aan me op. Baruch Spinoza, de filosoof.

Hij schreef over goed en kwaad, over politiek en macht, maar ook, en dat was voor mij toen interessanter, over eeuwigheid en tijdelijkheid: mensen kijken altijd naar de wereld zoals die op het moment is, maar God keek volgens Spinoza met de blik van de eeuwigheid: alles in heden, verleden en toekomst was er voor Hem tegelijk. De tijd bestond niet.
Dát was een mooi gegeven: de blik vanuit de eeuwigheid…
En wonder boven wonder was diezelfde filosoof ook lenzenslijper: wat een prachtig beeld! Het idee dat je door Spinoza’s lenzen die eeuwige wereld zou kunnen zien. Dat je met Spinoza’s blik boven het hier en nu kon uitstijgen… Misschien kon je met zijn lenzen een kijker bouwen waarmee… En als je over Spinoza leest, dan gaat het ook over botsingen met de Kerk. Spinoza botste met zijn eigen Joodse geloofsgemeenschap én met de overheersende christelijke ideeën…
Zo kreeg ik het tweede grote cadeau van die Gouden Eeuw: het is een tijd waarin wetenschappers van alles gaan onderzoeken en ontdekken, maar daardoor gingen ze wel hier en daar twijfelen aan wat de Kerk verkondigde en wat in de Bijbel stond…

Dat bracht me bij de gruwelijke beelden van de hel zoals gelovigen die toen nog zagen. Achter dat gat in de werkelijkheid dat ik voor me zag als de spil van mijn boek, achter dat gat zou ook wel eens de hel kunnen zijn: die van de beelden die we kennen van oude prenten en schilderijen… gruwelijke en tegelijk geweldige visioenen – ik probeerde me voor te stellen hoe het is om daar écht in te geloven: de angst die dat wel niet oplevert. Bijna onvoorstelbaar, als je zoals ik atheïstisch bent opgevoed, maar juist daardoor ook heel vreemd en exotisch en intrigerend.

Ik las Het Boeck der Natuere van Eric Jorink: over die vroege wetenschappers die bij hun onderzoek voor het eerst uitgingen van het idee dat de natuur als een boek is, een boek dat je kunt lezen en begrijpen. Als je maar goed kijkt. Natuurlijk gingen ze ervan uit dat dat boek eenvoudig een aanvulling zou vormen op de Bijbel. Maar dat bleek niet zo simpel te liggen. Bijbel en natuur bleken niet overal op een lijn te zitten… Dat leverde angst en spanning op.
Dat bracht me bij een ander boek. Luuc Kooijmans beschreef die angst en spanning in Gevaarlijke kennis, Inzicht en angst in de dagen van Jan Swammerdam. Het boek maakte veel indruk op me: Kooijmans vertelt prachtig over Jan Swammerdam, een beroemde natuuronderzoeker en anatoom die diep gelovig, minutieus onderzocht hoe met name insecten in elkaar zaten. In ieder diertje kon je volgens hem de schoonheid van de hele schepping terugvinden.
Prachtige tekeningen maakte Swammerdam. Gefascineerd las hij in het Boek der Natuur terwijl hij zich angstig afvroeg of geloven niet veel belangrijker was dan weten… Moest je niet eerder voor je ziel zorgen, dan voor de wetenschap? Was het niet belangrijker om de leefregels van de Kerk te volgen… Kon je de waarheid wel ontdekken door te kíjken? Was het niet veel belangrijker om de Bijbel te lezen in plaats van het Boek der Natuur? Gedoemd worden tot eeuwig branden in de hel, zou de straf zijn als hij de verkeerde keuze maakte. Kooijmans beschrijft die innerlijke strijd zó dat ik hem kon voelen…
En wat een decor kreeg ik – alweer – erbij cadeau: Swammerdam woonde boven de apotheek van zijn vader, in datzelfde buurtje als waar Kroonsz, mijn hoofdpersoon woonde, en zijn vader had, net als Rembrandt, die even verderop woonde, een rariteitenkabinet, een verzameling schelpen, fossielen, opgezette dieren, kristallen, gedroogde planten en zaden, botten en graten, een heerlijk ratjetoe aan schatten uit de natuur: precies zoals ik ze zelf van kleins af aan als kind verzamelde… Het was duidelijk dat ook Jan Swammerdam een plek in mijn verhaal moest krijgen.
En natuurlijk moest die spanning in het boek komen: die angst voor het hiernamaals. Daar stond dat gat in de werkelijkheid natuurlijk voor!

Langzaam kreeg zo mijn verhaal een plaats en een vorm: het moest gaan over een wetenschapper uit de Gouden Eeuw die de natuurwetten trotseert, die een geweldige uitvinding doet, maar die daardoor ook, het noodlot uitdaagt. Zijn eigen noodlot. En hij sleept daar anderen in mee…
En veel wetenschappers in die tijd waren ook bouwers: ze construeerden uurwerken, telescopen, microscopen – allemaal in prachtig koper, hout, glas, rijk geornamenteerd. Het kon niet anders, of mijn hoofdpersoon was iemand die ook zo’n mooi instrument van blinkend koper en handgeblazen glas bouwde: om tot de eeuwigheid door te dringen. Zo’n prachtig instrument, met lenzen, slingers en een wijzerplaat met nauwkeurig geschilderde Romeinse cijfers, en…
Ha! Maar daarvoor hadden we natuurlijk in de 17e eeuw Christiaan Huygens, een van de grootste Nederlandse natuurkundigen ooit. Wereldberoemd. Uitvinder van een prachtig slingeruurwerk! Die Huygens kon ik wel gebruiken. Hij woonde niet in Amsterdam, maar dat was juist fijn: de stegen van een stad worden op den duur ook benauwend. Mijn personage mocht even het water op, eropuit naar Den Haag…
Maar hé, daar was Spinoza in 1670 ook al gaan wonen. Perfect! Het vissershaventje van Scheveningen, het statige landgoed Hofwijck bij Voorburg, waar de familie Huygens woonde, de Paviljoensgracht in Den Haag, waar Spinoza een bovenhuis huurde boven een kunstschilder…

Enfin, het is duidelijk – ik struinde voor het schrijven van Kroonsz rond door de 17e eeuw en vooral door Amsterdam, als een kind in een snoepwinkel… de magie van de gouden eeuw, de rariteiten, de huizen, de stegen, de gevels, de havens, de mensen die die stad bevolkten… En ik had geen mooiere of interessantere wereld cadeau kunnen krijgen dan het 17e-eeuwse Amsterdam…

Of wel? Waarschijnlijk wel, want er zijn duizenden werelden die erop wachten om onderzocht te worden. Fantasiewerelden, werelden ver weg, werelden in toekomst of verleden… Je hoeft ze alleen maar nieuwsgierig en aandachtig en open binnen te gaan, en de verhalen beginnen vanzelf te groeien. Als je ze maar de kans geeft om tot leven te komen in je verbeelding. Dus op naar de volgende wereld, voor het volgende boek!