Hoog boven Nova Zembla
Kom, zeg je, we moeten.
Het is tijd.
Ik denk aan de zee,
hoog boven Nova Zembla,
waar zoveel sneeuwvlokken,
elk verschillend,
landen op de golven,
smelten en
opgaan in het water,
ongezien.
Schiet nou op, zeg je.
Want anders.
Ik denk aan die golven,
waarin de vlokken verdwijnen,
nooit hetzelfde,
al die jaren,
sinds god mag weten wanneer,
altijd hetzelfde,
en dan nog de vissen,
daar boven Nova Zembla,
al die godvergeten vissen,
koudbloedig, zilverblinkend
voor niemand,
verscholen in de diepte.
Al dat water en
Wat is dat verdomme met jou, zeg je,
is er dan niets wat je ook maar
een donder kan schelen?
en ik zeg niets,
maak me druk om niets,
hoog boven Nova Zembla.