Betekenis?

kunst, intuïtie, verhalen, collages en creatieve processen

Archive for the tag “woorden”

Woord & Beeld

Woorden rijgen we tot verhalen aaneen. Lineair, van A naar B. Eén weg leggen we af als we het verhaal lezen. Begin, midden, eind. Exposé, handeling, plot. Eventueel bijkomend gevoel vindt haar plek in het ritme van de tekst; de betekenis moet langzaam toege-eigend worden in het leesproces van A naar B - zomaar een paar flarden van een meesterwerk lezen is meestal zinloos; ook een verhaal is een geheel. Maar wel een geheel dat je niet in één keer op je netvlies kunt hebben. Tijdsverloop is essentieel in de ervaring van een verhaal.

Beelden stellen van alles synchroon bij elkaar op. Vlakken, kleuren, lijnen en allerlei andere herkenbare beeldelementen die direct verwijzen naar de visuele ervaring. We maken het verhaal van het beeld zoals dat voor ons is, in de manieren waarop onze ogen erdoor ronddwalen. Een beeld kan je meteen raken – ondanks dat het een even grote complexiteit kan bezitten als een verhaal.

Als we woord en beeld combineren gaat de beeldmanier van kijken overheersen. Het lineaire verhaal verdwijnt. Er is ook niet echt ruimte om een lang, complex verhaal in één beeld te plaatsen. De woorden gaan werken als beeldelementen – deels vanuit de typografie, maar ook vanuit hun woordbetekenis. De woorden – ‘zebrapad’, ‘plat’ – gaan fungeren als uitspraken over het omringende beeld, terwijl ze er tegelijkertijd deel van uitmaken. ‘Plat’ stigmatiseert het naakt in bovenstaande collage. Er ontstaat iets wat de Fransen in de politiek zo mooi ‘cohabitation’ noemen: een president van de ene partij en een premier van een andere partij moeten samen het Elysée bewonen.

Betekenis

Volgens Ferdinand de Saussure (1857-1913), grondlegger van het structuralisme in de taalkunde, komt de betekenis van woorden/tekens tot stand door hun plaats binnen de structuur van de taal. De vormkant van het teken (signifiant; de betekenaar) onderscheidt zich van andere vormen; de betekeniskant (signifié; het betekende). Het teken in zijn geheel verwijst naar de werkelijkheid buiten de taal. Betekenis kan zo alleen bestaan in relatie tot andere betekenissen. Hij abstraheert hierbij van de levende taal die in de loop der jaren verandert, naar het abstracte systeem, de formele, ‘synchrone’  structuur van de taal.  Daarnaast is hij er zich van bewust dat de taal verandert. Taal is ook  ‘diachroon’: ze evolueert.

De vraag hoe betekenis ontstaat omzeilt hij hiermee. Hij gaat uit van de betekenisvolle taalstructuur die er al is. Overigens een heel goed uitgangspunt als je taal wilt beschrijven.

De vraag hoe we betekenis hechten of geven  blijft onbeantwoord: het landschap van de taal is er en dat verwijst, via toevallige verbanden tussen de klanken en de betekenissen naar dingen en situaties in de wereld – het landschap van de taal en het landschap van de wereld. Maar de landschappen zijn er al; ze veranderen hoogstens in de loop der tijd – in zichzelf en ten opzichte van elkaar (‘town’ en ‘tuin’  hebben dezelfde oorsprong: een woord dat ommuurde/omheinde plek betekende. De tekens lijken ook nog wel op elkaar, maar een stad of een tuin zijn twee heel verschillende dingen).

Als we ons beperken tot bijvoorbeeld de gedrukte taal in een non-fictieboek, lijkt het of we een heel eind komen met deze taalopvatting: daar is sprake van zo systematisch mogelijk gebruik van vaste betekenissen die verwijzen naar specifieke feiten en situaties. 

Als we naar poëzie kijken, dan zien we meteen meer lagen ontstaan: een gedicht schept vaak intern nieuwe betekenissen, een nieuw perspectief, en zelfs binnen een gedicht kunnen betekenissen van woorden verglijden. De verwijzing naar de wereld buiten het gedicht is er wel, maar staat niet voorop, is niet het belangrijkste. Iedere lezer komt met zijn individuele (deel)kennis van de taal (de taalstructuur waar hij over beschikt) naar het gedicht toe.

‘De’ betekenis van het gedicht bestaat niet: er zijn confrontaties van deelstructuren van lezers met de deelstructuur van het gedicht. Het idee dat er één formele structuur is -  ‘de taal’ – is een illusie; of een platoonse abstractie. Betekenis ontstaat in de wrijving tussen de verschillende min of meer gestructureerde taalachtergronden en – gebeurtenissen.

‘De’ betekenis van een woord bestaat niet.

Nietzsche stelt: “Das Herrenrecht, Namen zu geben, geht so weit, dass man sich erlauben sollte, den Ursprung der Sprache selbst als Machtäusserung der Herrschenden zu fassen: sie sagen ‘das ist das und das’, sie siegeln jegliches Ding und Geschehen mit einem Laute ab und nehmen es dadurch gleichsam in Besitz.” (genealogie der Moral)

Tsja, Nietzsche is nu eenmaal geobsedeerd door macht – in de meeste gevallen kunnen we ook spreken van poëzie of van creativiteit op het moment dat iemand zich een woord of begrip toe-eigent. Niet alle nieuwe taal is new speak in de orwelliaanse sombere 1984-betekenis van het woord.

Kortom, als we denken dat alledaagse taal saai is omdat alle betekenissen vastliggen en bekend zijn, dan is dat omdat we ons de taal niet werkelijk toe-eigenen. Iedere taaluiting is een creatieve daad, waarmee we structuur scheppen – in klanken, concepten en in de ordening van de wereld om ons heen.

Vorm en inhoud

Als je woorden naast elkaar zet, gebeurt er iets. Een activiteit die verwant is aan het maken van collages. Omdat woorden zo vaak worden gebruikt en omdat ze vaak in de bekende cadans van zinnen voorkomen, klinkt veel al snel bekend en zie je niet hoeveel vrijheid er in die bijeenplaatsing zit. Inhoud – betekenis – ontstaat in de vorm en door de vorm.

Post Navigation

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 230 other followers