Umberto Eco & Ludwig Wittgenstein: over ladders & slakken
‘Ik heb nooit aan de waarheid van de tekens getwijfeld, Adson,’ zei William, ‘zij zijn het enige waarover de mens beschikt om zijn weg in de wereld te vinden. Wat ik niet had begrepen was het verband tussen de tekens.’
(…)
‘Maar door een verkeerde orde te bedenken, hebt u toch iets gevonden…’
‘Je hebt iets heel moois gezegd, Adson, ik dank je. De orde die onze geest bedenkt, is als een net, of een ladder, die men construeert om ergens te komen. Maar daarna moet men de ladder wegwerpen omdat men ontdekt dat ze, hoewel ze goede diensten had bewezen, van zin verstoken was.’
Umberto Eco, De naam van de roos, p. 512.
Een citaat dat al jaren deel uitmaakt van mijn verzameling. Het laatste deel een overduidelijke parafrase van het einde van Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus: ‘[6.54] Meine Sätze erläutern dadurch, dass sie der, welcher mich versteht, am Ende als unsinnig erkennt, wenn er durch sie – auf ihnen – über sie hinausgestiegen ist. (Er muss sozusagen die Leiter wegwerfen, nachdem er auf ihr hinaufgestiegen ist.) [7] Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.’
De (filosofische) uitspraken die on-zinnig zijn maar wel helpen om tot een bepaald inzicht te komen. On-zinnig, in zoverre dat het geen proposities zijn over feitelijke standen van zaken in de wereld. Mooie gedachte van Wittgenstein, maar op zichzelf onzinnig.
Zin / betekenis ligt niet primair in correspondentie met de wereld ‘daar buiten’. Een flink deel van de betekenis ligt in de orde zelf die verzonnen wordt, in de relaties tussen de tekens die door ons geschapen wordt, in de schoonheid van die orde. Het gaat om het samenspel tussen waarneming en ordeningen die we denken te vinden en bewust maken op grond van die waarneming. Zo bouwen we een wereld. We moeten de ladder dus vooral niet weggooien na gebruik, veel meer dan de ladder hebben we niet. Zonder ladders storten we naar beneden.
De slak gooit haar huisje niet weg als het heeft laten zien waartoe het dient, maar draagt het met zich mee en koestert het, en het maakt onlosmakelijk deel van haar uit, het helpt haar te overleven. Om terug te komen op De naam van de roos: zouden we het boek (de ordening) moeten weggooien nadat we het gelezen hebben en ervan genoten hebben? Waarom? Het is fijn om het van tijd tot tijd in de boekenkast te zien staan, ons te herinneren hoe heerlijk het was om het te lezen, hoe mooi het was, het misschien te herlezen… En dat geldt ook voor de Tractatus.
