Volgens Ferdinand de Saussure (1857-1913), grondlegger van het structuralisme in de taalkunde, komt de betekenis van woorden/tekens tot stand door hun plaats binnen de structuur van de taal. De vormkant van het teken (signifiant; de betekenaar) onderscheidt zich van andere vormen; de betekeniskant (signifié; het betekende). Het teken in zijn geheel verwijst naar de werkelijkheid buiten de taal. Betekenis kan zo alleen bestaan in relatie tot andere betekenissen. Hij abstraheert hierbij van de levende taal die in de loop der jaren verandert, naar het abstracte systeem, de formele, ‘synchrone’ structuur van de taal. Daarnaast is hij er zich van bewust dat de taal verandert. Taal is ook ‘diachroon’: ze evolueert.

De vraag hoe betekenis ontstaat omzeilt hij hiermee. Hij gaat uit van de betekenisvolle taalstructuur die er al is. Overigens een heel goed uitgangspunt als je taal wilt beschrijven.
De vraag hoe we betekenis hechten of geven blijft onbeantwoord: het landschap van de taal is er en dat verwijst, via toevallige verbanden tussen de klanken en de betekenissen naar dingen en situaties in de wereld – het landschap van de taal en het landschap van de wereld. Maar de landschappen zijn er al; ze veranderen hoogstens in de loop der tijd – in zichzelf en ten opzichte van elkaar (‘town’ en ‘tuin’ hebben dezelfde oorsprong: een woord dat ommuurde/omheinde plek betekende. De tekens lijken ook nog wel op elkaar, maar een stad of een tuin zijn twee heel verschillende dingen).
Als we ons beperken tot bijvoorbeeld de gedrukte taal in een non-fictieboek, lijkt het of we een heel eind komen met deze taalopvatting: daar is sprake van zo systematisch mogelijk gebruik van vaste betekenissen die verwijzen naar specifieke feiten en situaties.
Als we naar poëzie kijken, dan zien we meteen meer lagen ontstaan: een gedicht schept vaak intern nieuwe betekenissen, een nieuw perspectief, en zelfs binnen een gedicht kunnen betekenissen van woorden verglijden. De verwijzing naar de wereld buiten het gedicht is er wel, maar staat niet voorop, is niet het belangrijkste. Iedere lezer komt met zijn individuele (deel)kennis van de taal (de taalstructuur waar hij over beschikt) naar het gedicht toe.
‘De’ betekenis van het gedicht bestaat niet: er zijn confrontaties van deelstructuren van lezers met de deelstructuur van het gedicht. Het idee dat er één formele structuur is - ‘de taal’ – is een illusie; of een platoonse abstractie. Betekenis ontstaat in de wrijving tussen de verschillende min of meer gestructureerde taalachtergronden en – gebeurtenissen.
‘De’ betekenis van een woord bestaat niet.
Nietzsche stelt: “Das Herrenrecht, Namen zu geben, geht so weit, dass man sich erlauben sollte, den Ursprung der Sprache selbst als Machtäusserung der Herrschenden zu fassen: sie sagen ‘das ist das und das’, sie siegeln jegliches Ding und Geschehen mit einem Laute ab und nehmen es dadurch gleichsam in Besitz.” (genealogie der Moral)
Tsja, Nietzsche is nu eenmaal geobsedeerd door macht – in de meeste gevallen kunnen we ook spreken van poëzie of van creativiteit op het moment dat iemand zich een woord of begrip toe-eigent. Niet alle nieuwe taal is new speak in de orwelliaanse sombere 1984-betekenis van het woord.
Kortom, als we denken dat alledaagse taal saai is omdat alle betekenissen vastliggen en bekend zijn, dan is dat omdat we ons de taal niet werkelijk toe-eigenen. Iedere taaluiting is een creatieve daad, waarmee we structuur scheppen – in klanken, concepten en in de ordening van de wereld om ons heen.
52.352960
4.852710