Betekenis?

kunst, intuïtie, verhalen, collages en creatieve processen

Archive for the tag “ordening”

Waarneming & schrijven

Waarneming
Soms is de waarneming van een onvoorstelbare helderheid: licht als glas, scherp, doorzichtig, licht dat gulzig ingedronken wordt en verteerd door de ogen; terwijl de geuren van een wolkende stoffigheid zijn, een tactiele smaak overbrengen, een overweldigend textuur-landschap. En de vingertoppen: terugschrikkend vertalend alles wat ze aanraken. En overal, de wind op je huid, de warmte van de zon en de onmiddellijke in alles gevoelde veranderingen als de zon even achter een wolk verdwijnt.
Ik was onlangs in het bos bij De Bilt. Loofbomen, naaldbomen, weide. Harde wind, droge heldere lucht na regen, zon, afgewisseld door losse kleine wolkenschaduwen. Vlijmscherpe zwarte takken in tegenlicht afgetekend tegen het blauw van de lucht. Dode verbleekte takken, hel het zonlicht weerspiegelend in bleke fragmenten tussen het gele heen en weer zwiepende gras. Los afgebroken gras dichterbij in de windrichting maar ook willekeurig plat op de grond. Paaltjes met prikkeldraad ertussen gespannen.
Ineens het gehijg van een hond die voorbijloopt achterlangs het bankje waarop ik lig. Een oude mevrouw volgt. Geruis van de bomen, veraf dichtbij, hard zacht, in golvende wisseling. Windvlagen bestaan, zijn vluchtige, maar werkelijke structuren. Ze hoog ver weg in de boomtoppen constaterend, wacht ik op het moment dat ze mijn zonverwarmde huid zullen raken; die verkoelend – niet onprettig koud, maar ik houd van het branden van de zon.
Ik loop verder. De geur van eiken. Een onbeschrijfelijk groene bomengeur – warm vochtig groen donker, vervuld van stil leven. Ook de ruimtelijkheid is tastbaar. De door de bomen geschapen ruimtes, afstanden, dieptes geven me een plaats een hier een heden. Klein in de bruine holle weg op de humus tussen de harde stammen en dode stronken. Het licht door de bladeren verspreid om de ruimte nog holler homogener beslotener te maken.
Een veer. Een slagpen van waarschijnlijk een ekster. Donker, bijna zwart. Onder bepaalde hoeken het licht weerkaatsend in olieachtig groen, blauw. Nauw in elkaar grijpende haartjes ontspringend aan een harde schacht, de hoofdnerf van een van de bladeren van een vogel. Onder bepaalde hoeken heen en weer bewogen voel ik de luchtweerstand – heen, (de vogel omhoog), sterker dan weer, (de vleugel omhoog).
De paarden zijn prachtig. Glanzend zwart en bruin. Op afstand blijvende geestverschijningen in het oude hoge zaaddragende gras. Maar het zijn scherpe geesten – onontkoombaar aanwezig snuivend kauwend luisterend. Grote ogen kijken op onmenselijke wijze naar je.  
Op de fiets terug naar Utrecht zijn mijn benen van een pijnlijke onwilligheid. Traag tegen de wind in. Brandende ogen zoals zo vaak, een lichte hoofdpijn. Moe. Duizelig. De lucht is heerlijk om in te ademen. In de verte staat de Dom.

Schrijven
Voorzetsels, zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en een enkel koppelwerkwoord – daarmee in willekeurige sequenties kan de taal van de waarneming geschreven worden. Zo vrij mogelijke grammatica – hier en daar topzwaar van alle bijvoeglijke naamwoorden, ronkend, rollend, verdrinkend in lange rijen infinitieven, die meer en meer de modaliteit van het moment dat niet eenduidig te beschrijven is verbeelden benaderen – in een sfeer van steeds nauwkeuriger aanduidingen eromheendraaiingen.

Umberto Eco & Ludwig Wittgenstein: over ladders & slakken

‘Ik heb nooit aan de waarheid van de tekens getwijfeld, Adson,’ zei William, ‘zij zijn het enige waarover de mens beschikt om zijn weg in de wereld te vinden. Wat ik niet had begrepen was het verband tussen de tekens.’

(…)

‘Maar door een verkeerde orde te bedenken, hebt u toch iets gevonden…’

‘Je hebt iets heel moois gezegd, Adson, ik dank je. De orde die onze geest bedenkt, is als een net, of een ladder, die men construeert om ergens te komen. Maar daarna moet men de ladder wegwerpen omdat men ontdekt dat ze, hoewel ze goede diensten had bewezen, van zin verstoken was.’

Umberto Eco, De naam van de roos, p. 512.

Een citaat dat al jaren deel uitmaakt van mijn verzameling. Het laatste deel een overduidelijke parafrase van het einde van Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus: ‘[6.54] Meine Sätze erläutern dadurch, dass sie der, welcher mich versteht, am Ende als unsinnig erkennt, wenn er durch sie – auf ihnen – über sie hinausgestiegen ist. (Er muss sozusagen die Leiter wegwerfen, nachdem er auf ihr hinaufgestiegen ist.) [7] Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.’

De (filosofische) uitspraken die on-zinnig zijn maar wel helpen om tot een bepaald inzicht te komen. On-zinnig, in zoverre dat het geen proposities zijn over feitelijke standen van zaken in de wereld. Mooie gedachte van Wittgenstein, maar op zichzelf onzinnig.

Zin / betekenis ligt niet primair in correspondentie met de wereld ‘daar buiten’. Een flink deel van de betekenis ligt in de orde zelf die verzonnen wordt, in de relaties tussen de tekens die door ons geschapen wordt, in de schoonheid van die orde. Het gaat om het samenspel tussen waarneming en ordeningen die we denken te vinden en bewust maken op grond van die waarneming. Zo bouwen we een wereld. We moeten de ladder dus vooral niet weggooien na gebruik, veel meer dan de ladder hebben we niet. Zonder ladders storten we naar beneden.

De slak gooit haar huisje niet weg als het heeft laten zien waartoe het dient, maar draagt het met zich mee en koestert het, en het maakt onlosmakelijk deel van haar uit, het helpt haar te overleven. Om terug te komen op De naam van de roos: zouden we het boek (de ordening) moeten weggooien nadat we het gelezen hebben en ervan genoten hebben? Waarom? Het is fijn om het van tijd tot tijd in de boekenkast te zien staan, ons te herinneren hoe heerlijk het was om het te lezen, hoe mooi het was, het misschien te herlezen… En dat geldt ook voor de Tractatus.

Rob Voerman

Afgelopen weekend de expositie van Rob Voerman bezocht in het Cobra-museum te Amstelveen. Vreemde architectonische bouwsels – deels strak en wit, deels exploderende woekeringen van oud hout, karton, rood glas en ander afval. Huisjes en constructies om omheen te lopen en binnen te gaan. Een intrigerende en tegelijk in eerste instantie vrij ontoegankelijke wereld. Maar als je de tijd neemt, dan komt het werk tot leven. Eerst gevoelsmatig: het is wel prettig om in die huisjes binnen te gaan, er een stil hoekje in op te zoeken en door het rode glas naar buiten te kijken; er zijn mooie ritmische vormen; er is naargeestigheid, verval en chaos…

Vervolgens komen de gedachten: de strakke witte vormen: zijn dat de grondvormen en is de woekering eromheen verval of een vorm van kanker van de vormen; of zijn juist de meer organische vormen gemaakt van afval de fundamentele en breekt het strakke, geometrisch witte in in de natuurlijke orde? Botsende werelden.

Het bureau-achtige object op bovenstaande foto’s intrigeerde mij nog het meest. Het gaf me letterlijk een beeld van wat er kan gebeuren als je plaatsneemt aan je bureau: er ontstaan woekeringen van gedachten, pogingen tot strakke, grijze ordeningen en bellen en gezwellen. Pogingen tot in- en uitzicht. Botsende ordeningen en wereldbeelden - krakkemikkig, vol en wild, vol onbekende mogelijkheden, en niet gespeend van schoonheid. Aan de andere kant is het bureau een barretje. De drank die de grenzen doet vervagen, maar geen werkelijke eenheid – laat staan inzicht – brengt?

Post Navigation

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 230 other followers