Nacht
Ik lig in bed, mijn ogen dicht
onder de dikke, donzen deken.
De nacht ontrolt zich, breidt zich uit,
dempt licht en denken en geluid.
Een eiland word ik zonder zicht,
geen misthoorn, vuur of teken.
Niemand ziet me, ik ben blind,
traag mijn lichaam, zwaar mijn leden,
mijn naam geen waarde, hersens zacht.
Een kind, dat droomt zich door de nacht,
nog niet bezwangerd met verleden,
branding, wind of overmacht.
Ik draai me om, woel taal en teken,
zoek naar lichter vasteland,
ogen open naar het duister,
adem in en wacht en luister,
golven breken op het strand.